In Oostende loopt van 7 tot 15 september de tentoonstelling ‘From Short to Feature’. Daarvoor moesten er onder meer 25 filmpjes worden gedraaid met bekende Vlaamse regisseurs die eerst een kortfilm maakten voor ze zich aan het langere werk waagden. Werkelijk alle grote namen zitten erbij, van Erik Van Looy, over Dominique Deruddere, Robbe De Hert, via Michael Roskam, Fien Troch, Patrice Toye en Hans Herbots tot Felix Van Groeningen. Het was een immens werk. Pieter Vermeersch was de jonge regisseur die alle filmpjes inblikte en afwerkte. We stelden hem tien vragen en hij gaf evenveel antwoorden.
1. Was die tentoonstelling jouw idee?
“Nee, het filmfestival is met het idee naar mij gekomen.Zij hebben ook het initiële contact genomen met de regisseurs om te vragen of ze wilden meewerken. Toen de namen vast lagen, ben ik er begin juni bijgekomen voor de productie van de tentoonstellingsfilms. Mijn job was het contacteren van de regisseurs en er voor zorgen dat er 25 films waren op het einde van de rit. Uiteindelijk zijn het er maar 23, omdat Dorothée van den Berghe en Jaco van Dormael in het buitenland verbleven.”
2. Was iedereen enthousiast?
“Absoluut. Christophe van Rompaey zei na afloop dat het wel een uniek tijdsdocument kon worden, omdat (bijna) iedereen zijn carrière toch begonnen is met kortfilms. Het was zeker niet evident was om alle interviews te plannen. Oorspronkelijk zouden we alle opnames in 6 opeenvolgende dagen plannen, maar dat zijn er uiteindelijk 14 geworden, gespreid over één maand. Omdat bepaalde regisseurs in het buitenland zaten of bezig waren met de voorbereidingen van hun nieuwe film. Maar zelf al hadden ze weinig tijd, ze namen wel de tijd om een half uur zeer enthousiast te praten over hun kortfilm. Het was niet zo van “we doen dit snel tussen de soep en de patatten”. Ik denk ook dat iedereen wel naderhand tevreden was. Bepaalde regisseurs zeiden ook dat ze blij waren dat ze nog eens konden praten over kortfilms en dat ze blij waren dat er nog eens iemand in geïnteresseerd was. Kortfilms vinden helaas moeilijk een publiek.”
3. Zijn er mensen die geweigerd hebben?
“Daar heb ik geen zicht op, de namen lagen vast toen ik er bij kwam. De enige bijdrage die ik aan de selectie heb geleverd is dat ik Gert Embrechts heb gesuggereerd, omdat zijn kortfilm ‘Vincent’ een karakterstudie was voor ‘Allez, Eddy!’ En dat hij, net zoals Christophe van Rompaey, aan veel kortfilms (en langspeelfilms) van geselecteerde regissurs had meegewerkt als 1ste regie-assistent. Want ik wou als een soort van rode draad doorheen de films aantonen dat bijna iedereen aan iedereen gelinkt is. En dat de Vlaamse filmwereld een soort van hechte gemeenschap is. Veel regisseurs zijn hun carrière begonnen op films van wat later hun collega’s zijn geworden. Ik hoop dat die rode draad goed zichtbaar blijft, want in de montage is er natuurlijk één en ander gesneuveld. De essentie, en wat het festival wou, was dat de regisseurs hun ervaringen deelden met jonge makers. Vijf van de films waren oorspronkelijk lang en dat vond het festival te lang. Ik heb ze uiteindelijk allemaal tot +/- 12 minuten geknipt. Er ligt nog heel wat op de montagevloer: regisseurs die spreken over hun voorbeelden, over de invloeden van bepaalde filmmakers op hun werk, … Ik had ook aan alle regisseurs gevraagd om een film van een collega aan te bevelen. Als een Geoffrey Enthoven of een Koen Mortier vertelt welke film hem is bijgebleven, zal de toeschouwer vlugger geprikkeld zijn om die films te gaan bekijken. Maar goed, je moet uiteraard keuzen maken.”
4. Hoe heb je de getuigenissen gefilmd?
“We hebben de interviews met 2 camera’s gedraaid, met 2 Canon fototoestellen. Want ik wou dat het een soort “gesprek met …” werd. Ik wou dat het iets dieper en dynamischer/vrijer werd dan de standaard interviews op tv. Dat de regisseurs vrijuit konden antwoorden zonder ze te moeten onderbreken om een antwoord korter te formuleren, of omdat de camera moet verplaatst worden voor een nieuw shot, … En dat werkt wel, vind ik. Hoewel ik een vaste structuur had (verhaal, idee, productie, casting, …) en specifieke vragen stelde over hun films in functie daarvan, is ieder gesprek toch anders. Zo zijn we bij Patrice Toye er toe gekomen dat het een soort analyse is van haar films en welke elementen ervan al in haar kortfilm ‘Vrouwen willen trouwen’ al zit, gaat Jan Verheyen over eerder over filmmaken, Frank van Passel heeft het vooral over het visuele en de omgeving in zijn films, …
Het is me achteraf wel zuur opgebroken van met 2 camera’s te draaien, want we hadden ongeveer zo’n 700 minuten beeldmateriaal per camera. Ik monteer alles zelf en ik kan je verzekeren van 700 minuten naar 250 min gaan in zo’n korte tijdsspanne is hard. Ik zit er hier dan ook bij met kleine rode ogen en een wilde baardgroei.”
5. Van wiens kortfilms was je het meest onder de indruk?
“Moeilijke vraag. Ik moet wel toegeven dat ik de films van Erik van Looy en Jan Verheyen nog niet heb kunnen zien, want die waren verloren geraakt doorheen de jaren. Het filmfestival heeft die gelukkig kunnen teruginden in de archieven van het filmmuseum en de VRT. Je kunt je dus afvragen wat voor schatten daar allemaal te vinden zijn. Maar daardoor zijn ze pas recentelijk aangekomen op het festival.
Deze wil ik zéker zien, omdat ze een héél leuke pitch hebben. ‘Yuppies’ van Erik van Looy gaat over een yuppie die een huurmoordenaar inhuurt om hem te vermoorden, om te zien of hij er mee weg geraakt. ‘A Helping Hand’ van Jan Verheyen over een jongetje van 11 dat zijn vader helpt, wiens sloopbedrijf verlies maakt, door stenen vane en brug et gooien op auto’s. Bepaalde kortfilms zijn ook 20 jaar oud of gemaakt om vernieuwing te brengen binnen de Vlaamse film (‘A Hard Day’s Work’ van Koen Mortier) en zijn dus wat gedateerd. Uiteindelijk zijn ze allemaal de moeite om te zien, want regisseurs maken kortfilms om een thematiek of visuele stijl uit te proberen. Veel elementen uit de langspeelfilms van de regisseurs zie je al terug in hun kortfilms, wat ook ter sprake komt in de interviews. Maar als ik echt moet kiezen: ‘Gejaagd door de Winst’ (Guido Henderickx), dat ondanks dat het visueel misschien wat gedateerd is, nog steeds een zeer krachtig verhaal heeft. Ook door de stuctuur: fictie, docu en dan een soort satire luik. Dat was ook een ongelofelijk fijn interview. De man, net zoals Erik van Looy en Jan Verheyen, ademt film en was zéér vriendelijk. ‘Oh My God?!’ van Christophe Van Rompaey is ook één van mijn favoriete films, omdat je echt meeleeft met het vrouwelijke personage, je zit echt in haar hoofd. Schitterende acteursregie ook. En visueel ook heel mooi en doeltreffend. Dit was ook een zéér fijn interview was. Nog zo’n topper is ‘De geur van regen’ van Frank van Passel, omwille van de prachtige beelden van Jan van Caillie. En ook ‘Fal’ (Hans Van Nuffel) hoort in mijn favorietenlijstje thuis, omwille van het sterke verhaal en de thematiek.
Hans Van Nuffel zijn nieuwe film gaat over dezelfde themathiek. Ik ben zeer benieuwd wat dat zal geven. ‘Wodka Orange’ (Dominique Deruddere) is een film die me blijft intrigeren, omwille van de vibe die in de film zit. Vechten tegen het gevestigde, de schoonheid van het nachtleven in Brussel, … En ik wil zeker ook nog ‘Vincent’ van Gert Embrechts vernoemen, omdat hij in 4 minuten slaagt om een compleet eigen wereld te creëren door een ontwapenende voice over en de prachtige beelden.”
6. Heeft iedere regisseur die terugblikt op zijn kortfilm eigenlijk wel een boeiend verhaal te vertellen?
“Een nog moeilijkere vraag om te beantwoorden. Ik zit al 2 maanden zo diep in dit project, dat ik er niet meer objectief kan over oordelen. Frank van Passel zegt in zijn interview: “tijdens opnames maak je jezelf wijs dat wat je aan het maken bent het beste is dat op dat ogenblik ooit is gemaakt, en dat moet je jezelf ook wijs maken, anders leg je je lat niet hoog genoeg”. Dus ja :-D. Nee, god ja, het is in ieder geval vrij uniek. Rond kortfilm wordt bij ons, tenzij af en toe door Cinevox en Filmmagie, vrij weinig gedaan in de media. Dus de meeste verhalen die de regisseurs vertellen zijn uniek, ongepubliceerd en vaak enkel door incrowd geweten.
Zo vertelt Frank van Passel dat hij eigenlijk Dirk Pauwels wou als hoofdacteur, maar hij het verkeerde nummer vond, dat van diens broer Jan Pauwels en dat hij pas besefte dat hij met Jan Pauwels had afgesproken toen hij met hem afsprak om over de film te praten. En toen durfde hij niet meer te zeggen dat hij eigenlijk Dirk Pauwels wilde. Dus Jan Pauwels zit per toeval in de film en het klikte tussen hen en Frank van Passel vroeg hem daarom ook terug voor ‘Terug van Oosterdonk’. En ieder interview heeft zo z’n toevalligheden en anekdotes. Dominique Deruddere vertelde dat hij aanvankelijk een ander einde had gedraaid van de film, maar dat velen o.a. hijzelf het niet vonden werken. Iedereen rondom hem zei van: ‘da’s niet erg, concentreer je op je volgende film.’ Maar Dominique Deruddere kon het niet loslaten en bekeek de film opnieuw en opnieuw en kreeg de ingeving van wat nu het einde is. En draaide dit zonder budget in de studio’s van Sint Lukas, zonder iemand te kunnen betalen en het einde werd één van de grote sterktes van de film. Nog straffer? Michaël Roskam draaide zijn film in Corsica, maar er waren imense stakingen en rellen aan de hand, zijn filmploeg moest met al het materiaal door de douane van het viegtuig, omdat de camions niet met de boot naar Corsica konden varen. De rook van een traangasbom vloog over de set, … Enfin, het zijn allemaal zeer unieke en verscheiden verhalen. Het zijn soms hilarische interviews (Pieter van Hees & Erik Bulckens), soms zeer serieuse (Harry Kümel), zeer open en analyserende (Patrice Toye), …”
7. Hoe lang heb je aan dit project gewerkt?
“Ik ben er al 2 maanden (14 dagen draaien, 20 dagen montage) mee bezig. Niet iedere dag van ’s morgens tot ’s avonds, maar ik sta er toch mee op en ga er mee slapen. Verspreid hebben we zo’n 14 dagen gedraaid en heb ongeveer 20 dagen gemonteerd. Waarvan de laatste 2 weken non stop. Mijn sociaal contact beperkt zich tot de bakker om de hoek. Ook mijn schoolwerk staat op een laag pitje. Zo moet ik tegen 17 september een concept indienen voor mijn eigen kortfilm, maar helaas heb ik nog niet de tijd gehad om er over na te denken. Plus eigenlijk voel ik ook niet te behoefte om dingen die vanuit mezelf komen te verfilmen. Ik wil liever scenario’s of verhalen verfilmen waar ik mij in kan vinden en eventueel zaken in kwijt kan die mij boeien/raken/… De films maken die ik wil zien. Maar goed, ik zit dus zonder idee, dus als er scenaristen zijn die dit lezen, mogen ze gerust bellen of mailen.”
8. Zijn die filmpjes eigenlijk wel tentoonstellingsmateriaal? Komen ze ook uit op dvd? Is het niet meer het materiaal dat we thuis op een gezellige winteravond moeten bekijken?
“Kortfilms vinden op zich moeilijk een publiek. Dus het is goed dat de films getoond worden op een succesvol festival binnen en tentoonstelling. Hoewel kortfilms op zich geen tentoonstellingsmateriaal zijn. Net zoals de films die ik heb gemaakt. Films die, gezien de duur (9-15 minuten), misschien ergens als mini docu’s kunnen worden gezien.Ik denk dat door de kortfilms en ook de filmpjes te tonen in een tentoonstelling, dat misschien een grote publiek zullen bereiken dan op internet of DVD. Want dan worden ze vaak enkel gezien door mensen die er weet van hebben en ze ook echt willen zien. Nu is het zichtbaar en toegankelijk voor iedereen. En dat is ook wat ik hoop dat de filmpjes die ik heb gemaakt zullen doen: zin geven om kortfilms te bekijken. Als ze dat doen, ben ik een tevreden “regisseur”. Persoonlijk vind ik het wel jammer dat de kortfilms zelf niet eens worden getoond op het grote scherm.Of de tentoonstellingsfilms achteraf op DVD komen, dat weet ik niet, ik zou het fijn vinden. Er is veel bloed, zweet en tranen in gekropen om de verhalen te verzamelen en het zou jammer zijn mochten deze verloren gaan. Het is een trend aan het worden dat producenten en regisseurs kortfilms plaatsen als extra op hun DVD, dus als ze geïnteresseerd zijn om de tentoonstellingsfilms er bij op te plaatsen, mogen ze gerust bellen.”
9. Je bent zelf deel van de jonge lichting. Je kent ook de jonge kortfilmmakers. Wie zullen de eersten zijn die volgens jou een langspeelfilm maken?
“Grappig dat je die vraag stelt, want ik ben net een hoofdstuk aan het schrijven in mijn scriptie over het succes van de Vlaamse film en over de nieuwe lichting filmmakers. Persoonlijk denk ik niet dat ik daar bij hoor, want ik heb geen noemenswaardige kortfilm gemaakt. Maar er staat ons denk ik wel veel moois te wachten. Mensen als Robin Pront, Emilie Verhamme, Wim Geudens, Cecilia Verheyden, Gilles Coulier, Nathalie Teirlinck, Caroline De Maeyer, Sahim Omar Kalifa, … en nog vele anderen, maakten schitterende kortfilms die elk een eigen filmisch universum hebben.
Maar wie er eerst een film zal maken, dat is moeilijk te zeggen. Er zijn veel regisseurs met projecten. Van Gilles Coulier en Robin Pront weet iedereen dat ze bezig zijn aan een speelfilm. Maar ook Cecilia Verheyen is volgens Jan Verheyen klaar voor het langere werk.”
10. Je hebt ook de trailer van het festival gemaakt en je leidt films in. Je bent de juiste man om de dynamiek van het festival toe te lichten. Heeft het Festival van Oostende een toekomst?
“Absoluut. Het festival groot zienderogen. Ik werk al sinds de eerste editie, zij het beperkt, mee aan achter de schermen van het festival en ik draag het een zeer warm hart toe. Het was een heel goeie zaak van hen festival om de kaart van de Vlaamse film te trekken. Vaak vergeten festivals en filmclubs die te programmeren. Hoewel ze er niet omheen kunnen. De Vlaamse film is te goed bezig en te geliefd door het publiek en buitenlandse festival, om nog over het hoofd gezien te worden. Ook is het schitterend dat Oostende een platform biedt ana jonge filmmakers door hun kortfilms te tonen, ze in contact te brengen met elkaar, … Het enige waar het festival nog altijd wat te kort ziet is het filmprogramma. Pas op er zitten dit jaar schitterende films bij: ‘Little Black Spiders’, ‘Lawless’, ‘Barbara’, … Maar het zijn vaak ook films die 2 weken of een maand erna al in de cinema komen. En ja, een filmfestival moet naar mijngevoel toch vooral dienen om films te ontdekken die vaak weinig of niet verdeeld worden. Films die je anders nooit zou zien. Maar natuurlijk moeten ook de populaire en commerciële films vertoond worden. Want dat is ook een sterkte van het festival: het is echt voor iedereen. Maar goed, het festival heeft subsidies gekregen, dus misschien is er nu de mogelijkheid voor een programmadirecteur. Geef het festival nog een paar jaar en je kan er niet meer om heen.”
Klik hier en bekijk het fragment met Hilde Van Mieghem over ‘De Suikerpot’
Klik hier voor meer info over ‘From Short to Feature’
Klik hier voor een interview met Barbara Sarafian, de master van het Filmfestival van Oostende
w-l-c Le cinéma vu par les belges

